that joke isn't funny

Opname

Het gebeurde nogal plots
zoals dat ook in films gebeurt.
We dachten, deden plots
zoals zoveel acteurs dat doen.

Het ging wel even door
en even leek best lang.

Tot klappend hout ons plots
het einde van de scène bracht.
We mochten weer terug
ons eigen leven in.

Advertenties

Witte angst

Het was niet eens grijs. Het was zelfs niet grijswit of parelwit of een andere exotische tint wit die vast al eens een echtelijke ruzie had veroorzaakt in de plaatselijke verfwinkel. Het was gewoon honderd procent wit. Geen discussie mogelijk. In een wanhopige poging om zijn puurheid te overschaduwen en nog even in ontkenning verder te leven, kneep ik mijn ogen tot flinterdunne spleetjes. Maar ook doorheen de schaduwen van mijn wimpers staarde het wit keihard en meedogenloos terug. Ik wendde mijn blik af en besloot om dit eerste teken van mijn nu wel duidelijk onafwendbare lot te negeren. Ik was er nog niet klaar voor. Ik vond mezelf nog veel te jong, en het was ook gewoon nog te vroeg op de dag voor dit soort gedachten. Ik klapte de spiegeldeur dicht en zette de badkamerradio aan. Beats of love, beats of love, beats of love love love. De beelden van gisteren drongen zich aan me op. Ik had ze dan wel gezien door de ogen van een ander, iemand die de ongelofelijke pech had om net op dat moment op die plaats te zijn, en niet ergens anders. Niet in de living voor tv, zoals ik, of op de honderdeneen andere plaatsen waar je je op dat moment kunt bevinden. Maar misschien had hij wel, net als ik, ’s ochtends in de spiegel gekeken en misschien had ook hij gedacht dat een wit haar de grootste zorg van zijn dag zou vormen. Hij had mij kunnen zijn, ik had hem kunnen zijn. Het was best mogelijk. En toch slaagde ik er toen in om die beelden te bekijken, telkens opnieuw, vanuit een andere hoek, een andere getuige. Maar met mijn eigen spiegelbeeld kon en wou ik dat niet. Het was niet zo dat een wit haar een groter effect op me had dan de grijze rook boven de Brusselse luchthaven, de ineengedoken mensen, de schreeuwen, de stilte. Maar ik wou nog liever bang zijn van één wit haar dan van al het zwarte in de wereld.

Woorden uit een grotemensenwereld

Ik had mijn nieuwe boekentas aan. Hij stonk nog een beetje naar winkel en plastic. Dat hij veel te groot was en ik piepklein, had ik niet door. Ik zou wel vlug genoeg leren om zelfbewust te worden. Ik wachtte aan de voordeur. Mama wou eerst nog een foto maken. Onder die foto prijkt nu de trotse zin: klaar voor de grote school! Maar ik weet niet of ik er al klaar voor was. Ik weet wel nog wat ik dacht: gedaan met het gemakkelijke leven. Toen al. Ik maakte mij zeker geen illusies over wat komen zou. Dat hoge verwachtingen meestal gepaard gaan met diepe teleurstellingen, is een les die ik al leerde voor ik naar de grote school mocht. Als kleuter krijgen we veel ontgoochelingen te verwerken. Ik wijt dat niet aan naïviteit; je kunt dat een kleuter ook moeilijk verwijten. Ik leg de schuld volledig bij de grote mensen en hun schijnbaar logische maar in werkelijkheid buitengewoon misleidende woorden.

Toen mijn grote broer thuiskwam van zijn eerste dag op de grote school, werd ik verbannen naar de tuin. Pas op, zo erg was dat niet, er stond een schommel met glijbaan en klimtouw. Maar ik was zo nieuwsgierig. Mijn broer mocht niet gestoord worden want hij moest ‘huiswerk’ maken. Huiswerk! Ik was danig onder de indruk. Terwijl ik met mijn buik op de schommel lag en draaide tot ik misselijk werd, was mijn broer zomaar even een huis aan het bouwen! Na een poosje draaien kon ik mijn nieuwsgierigheid niet langer bedwingen en ging ik toch eens piepen door het raam. Alleen mijn broers rug was zichtbaar, hij zat gewoon aan de livingtafel. Misschien moest hij eerst een minihuisje maken. Om te oefenen natuurlijk. Ik had dat ook al eens gedaan in de kleuterklas, met wasknijpers en lijm. Was me dat een prutswerk! Dit zou best wel eens lang kunnen duren, dus ik ging terug naar de schommel. Ik plaatste mijn voeten op de schommelstoel en probeerde om zo hoog mogelijk te gaan. Gewoon schommelen, dat was voor kleine kinderen. Toen zag ik mijn broer buiten komen en minderde vaart. Want van een wiegende schommel springen, dat was voor de grote kinderen. “Je mag terugkomen, mijn huiswerk is af!” Vol spanning wandelde ik de woonkamer binnen. Ik keek rond, maar zag niet meteen iets bijzonders. En al zeker geen huis. Hoe kon dat nu? Aan de livingtafel zat mama over een blad papier gebogen. Ik trok aan haar mouw. “Nu even niet, ik ben je broers huiswerk aan het verbeteren.” Ik keek naar het blad papier. Naar haar. Het blad papier. Ik draaide mij om en keek nog heel even goed rond in de living. En dan weer naar het papier. Daarna ben ik terug naar buiten gegaan. Ik ben de trap van de schommel opgewandeld en boven aan de glijbaan blijven zitten.

Ik denk niet dat het toen al was dat ik besliste om mijn verwachtingen in het vervolg tot een minimum te beperken. Dat was misschien die keer toen we op een zaterdag helemaal naar ‘Schoenland’ zouden rijden. Ik was dolenthousiast want ik wist niets van dit reisje af. Het ging allemaal zeer vlug. We moesten zelfs geen valiezen inpakken of boterhammetjes smeren voor onderweg. Amper tien minuten na ons vertrek, stopten we al op een parking. “We zijn er!” Het was niet speciaal kouder of warmer in Schoenland. De mensen droegen er ook helemaal geen gekke schoenen. Ze spraken zelfs gewoon Nederlands. Opnieuw waren mijn ouders zich van geen kwaad bewust. “Kijk Joke, aan de kassa mag je een gratis strip kiezen!” Ik voelde mij toch bedrogen.

Toen ik met mijn boekentas aan de voordeur stond te wachten, dacht ik niet terug aan die kantelmomenten in mijn prille leven. Ik dacht zelfs niet aan huiswerk. Maar iets in mij waarschuwde me toch voor het enthousiasme van mijn ouders. Ik wist niet wat me te wachten stond of waar ik dan wel klaar voor moest zijn. De grote school, wat zou dat precies betekenen? Ik dacht vooral een grotere boekentas en een nieuwe juf. Er kwamen natuurlijk ook nieuwe vriendjes bij, rekenboeken, kalligrafieschriftjes en vooral veel nieuwe regels. Maar wat vaak vergeten wordt, is dat het ook de ontdekking is van een nieuwe wereld aan woorden. Zo zat ik die eerste schooldag al in de verkeerde klas, want ik kon toch niet weten wat godsdienst of zedenleer was. En na school was ik zelfs even zoek. Ze hadden me gezegd dat ik naar de ‘studie’ moest, maar wat was dat nu weer? Grotemensenwoorden, daar was gelukkig nog veel plaats voor in mijn nieuwe boekentas.

IMG_0001+

Problemski hotel

Problemski hotel, de verfilming van Dimitri Verhulsts gelijknamige boek over de asielproblematiek in België, is een keiharde en verdiende mokerslag in het gezicht van elke mens die de vluchtelingen schaamteloos profiteurs noemt. Jammer dat net die mensen waarschijnlijk geen filmticket zullen kopen. Misschien zou de film dankzij een andere titel ook een ander publiek aantrekken, het ietwat misleidende Sixty Shades of Despair bijvoorbeeld? Zou het iets uithalen? Een harde klap blijft dan wel nazinderen en zorgt met wat geluk voor een blauwe plek of zelfs een kneuzing, een blijvend letsel zit er helaas zelden in. Vranckx voorspelde gisteren tijdens zijn voorwoord dat het na de film muisstil zou zijn in de zaal. Het zou hem zelfs niet verbazen indien de tocht naar de receptie bijna geruisloos zou verlopen. Het probleem met zulke voorspellingen is dat ze een soort druk met zich meebrengen. Tijdens de aftiteling werd er inderdaad weinig gesproken, maar hoe onmenselijk zouden we niet lijken als we dan alweer vrolijk zaten te babbelen? Om nog maar te zwijgen van ons gebrek aan respect voor de aanwezige regisseur. Mogelijk zat die het succes van zijn film nu te meten op basis van het aantal decibels in de zaal. Misschien ben ik te pessimistisch. Ik was tenslotte wel oprecht aangedaan door de film. Hoe heerlijk absurd sommige scènes ook waren – fantastisch hoe een van de asielzoekers fietstochtjes midden op de snelweg maakt! – elk verhaal bleef er toch weer een van afwijzingen, desillusies en wanhoop. Tijdens de (al wat minder geruisloze) tocht naar de receptie kon ik hier en daar enkele gesprekken volgen. Het koppeltje achter mij vroeg zich af of er straks ook hapjes zouden zijn. De vrouw voor mij klaagde over haar auto. De achterlichten waren weer maar eens kapot. Ze had echt weer “zo’n dag” vandaag. Toen moest ik onwillekeurig aan de lichtjes van mijn fiets denken. Hopelijk waren de batterijen nog niet leeg. Er stond politiecontrole aan de cinema. Als de lichtjes niet meer werkten, kon ik best eerst even te voet gaan. Morgen zo vlug mogelijk naar de Hema om nieuwe lampjes. Of misschien kon ik beter voor een duurzaam model gaan? Dan moest ik natuurlijk af en toe wel de batterijen vervangen. Ik kon het eens navragen tijdens de receptie, wie weet kende er iemand wel een goede winkel. Zouden er eigenlijk hapjes zijn?

problemski hotel Foto: Cassette for timescapes

Rennersvrouw

Soms doe ik mee aan een koers. Niet als coureur, maar als rennersvrouw. Voor er misverstanden ontstaan: een rennersvrouw is geen voetbalvrouw. Glamoureus tribunezitten behoort niet tot haar takenpakket, en een eigen serie krijgt ze al helemaal niet. Ook geen reality trouwens, want ‘Het leven zoals het is’ toont net iets liever een greep drama uit het kinderziekenhuis dan het leven zoals het is op een typisch Vlaamse kermiskoers. Ze beseffen het niet, maar ze grijpen naast een ijzersterk format. Geen plaats zo boordevol tragiek, drama en geluk als het dorpsplein op de dag van de jaarlijkse koers.

We waren mooi op tijd en gingen allebei op prospectie. Terwijl hij het parcours verkende en de weg nakeek op putten en gevaarlijke bochten, ging ook ik op verkenning; ik ging op zoek naar de ideale zitplaats. Een koude drempel kan je niet bepaald comfortabel noemen, maar dat is anderhalf uur rechtstaan ook niet. Ik besloot om me het plekje toe te eigenen. Naast me op het voetpad kwamen twee coureurs en hun entourage tot stilstand. Het waren nog jonge gastjes, broers, en ze zagen het duidelijk ambitieus. Ze hadden elk een racemachien om u tegen te zeggen, dat kon zelfs ik zien. Hun moeder en een derde broer – er is er altijd ene die minder getalenteerd is – plaatsten twee reservefietsen tegen de gevel. Oma was ook mee, zij zorgde voor de emotionele steun. “Ik ben nu eens mee, dus zorg maar dat ’t goed is hé!”. Ik wandelde terug naar de dorpskern en berekende de afstand van mijn stenen troon tot aan de finish. Het aantal kilometers dat ik zou afleggen was een pak minder dan dat van de renners, dus ik kon maar beter zorgen dat ik niet te laat bij de finish aankwam. Foto’s nemen behoort immers wel tot het takenpakket van een rennersvrouw. Welke coureur droomt nu niet van een perfect gekadreerd beeld van zijn overwinning: armen heroïsch in de lucht, voorwiel over de streep en de tegenstanders ver achter zich (maar toch net niet uit het zicht). De renners stonden al samengetroept voor het startsein. Ik zocht snel de mijne op want ik moest nog zeggen dat hij voorzichtig moest zijn. We weten allebei dat dit verplichte zinnetje geen toverspreuk is, maar in de wereld van de sport ontsnapt zelfs de grootste atheïst niet aan een kleine portie bijgeloof. Na de start snelde ik terug naar mijn drempel. Die was gelukkig nog niet ingenomen. Het gezin naast me had zich neergevlijd in comfortabele klapstoeltjes.

Daar kwam de wagen met de rode vlag al aan. Ik haalde mijn fototoestel uit en wachtte op de renners. Toen de eerste passeerde, werden ze naast me haast extatisch: “Giovanniiiiii! Ja, ja, ja!”. Ik moet toegeven dat ik verrast was; ik had niet verwacht het onderspit te moeten delven tegen de klapstoeltjesfamilie Op het eerste gezicht valt het niet op, maar de concurrentie tussen supporters is hard. Keihard. Als onze renner het goed doet, dan laten we dat maar al te graag merken. Want een succesvol renner betekent een succesvol supporter. Als hij echter achterop geraakt, blijven we wel supporteren, maar tegelijkertijd beginnen we ons ook intens te ergeren aan al die euforische supporters. Ik glimlachte eens naar de oma en hoopte stiekem dat haar kleinzonen lek zouden rijden. Het rode vlagje. Naast me bleef het, op wat flauwe aansporingen voor broer Andy na, verdacht stil. Toen het groene vlagje voorbijkwam, barstte de onrust los: “Heb jij Giovanni gezien?” “Hij zal toch niet gevallen zijn?” “Hij is toch niet lek gereden zeker …” Ook ik had stiekem mee gezocht naar Giovanni. Hij lag eruit, dat kon niet anders. De moeder haalde een verrekijker boven. Hoewel ze met dat ding niet veel meer kon zien dan ik – tenzij ze ermee om bochten kon kijken –, speurde ze verbeten het einde van de straat af. Maar van Giovanni geen spoor. Broer Drie sprong op een reservefiets, misschien kon hij zijn broer nog depanneren. Het rode vlagje. Mijn renner zat niet voorop, maar trok wel de tweede kopgroep. Ik liet die kans niet aan me voorbijgaan en nam een flitsende foto waarmee ik de titel van rennersvrouw eer aandeed. Mijn buren hadden minder geluk. Broer Andy was deze keer blijkbaar ook niet meer gepasseerd. Oma Steun bromde. “Ik kom ook eens mee hoor!” Haar dochter reageerde niet op het gemok en tuurde hardnekkig verder door haar verrekijker. Ze was al haar zonen kwijt. Nu de concurrentie voorbij was, begon ik toch wat medelijden te krijgen. Ik zocht tussen de foto’s op mijn schermpje naar een spoor van Andy, naar een foto waarmee ik de eer van de klapstoeltjesfamilie  kon redden en mijn positie als ultieme rennersvrouw zou verzilveren, maar Andy was echt niet meer gepasseerd. Het rode vlagje. Ik riep deze keer toch wat stiller dan voorheen. Sportiviteit onder de supporters, wanneer de rivaliteit is verdwenen. “Daar zijn ze!” Giovanni en Andy waren eindelijk in zicht, hun fiets hielden ze als een gewonde oorlogsmakker over de schouder. Ik vermoedde dat dit geen gezellig weerzien zou worden en maakte me snel uit de voeten.

Het dorpsplein was, zoals elk ander dorpsplein op zo’n dag, perfect geënsceneerd volgens het draaiboek der kermiskoersen: een lelijk hamburgerkraam, een twintigtal supporters die met buggy, fototoestel of hamburger in de hand aan de zijlijn stonden, een witte bestelwagen die de sportcommentaar – vooral gevloek op passerende auto’s – van een bejaarde verslaggever uitspuwde, een hoge stoel waarop een ander bejaard mannetje de eindmeet in de gaten hield, en een oer-Vlaams bruin café waar die dag het vaste cliënteel af en toe opgeschrikt werd door enen niet van hier die de weg naar het toilet zocht. En dat alles overstemd door Vlaamse meezingers als Laat het gras maar groeien en Heyah mama. Ik mengde me tussen de supporters en eiste dankzij wat behendig ellebogenwerk een plekje op van waar ik mijn killer foto zou nemen. Het rode vlagje. Ik zette me in positie. Er werd een sprintje getrokken. Vijf voorwielen streden om die ene centimeter die het verschil zou maken. Ik drukte af: de winnaar met de armen in de lucht, de anderen met het hoofd gebogen. Ik had het allesbeslissende moment voortreffelijk vastgelegd. Ik voelde me haast net zo euforisch als de winnaar, tot ik besefte dat ik met die foto niet bij mijn coureur zou moeten afkomen. En hoewel ik ook van zijn zesde plaats een puike foto had weten te nemen, zou die toch ongemerkt verdwijnen in de diepste krochten van mijn computergeheugen. Het trieste lot van een foto zonder winnaar. De renners die net nog voorbijgevlogen kwamen, reden nu sloom terug om hun omhelzingen en schouderklopjes te ontvangen. Vlak na een koers is het niet altijd evident om van de uitgeputte gezichten van de coureurs af te lezen wie tevreden is en wie het liefst zo snel mogelijk weer huiswaarts keert. Gelukkig zijn er de supporters, en in het bijzonder de rennersvrouwen, die ervoor zorgen dat hierover geen twijfel kan bestaan. Al triomfeert de ene al wat opvallender dan de andere, bij elke rennersvrouw heerst toch diezelfde onbedwingbare profileringsdrang ten opzichte van de andere.

Ik las het gezicht van mijn renner en zag dat het tijd was om te vertrekken. Voor een wielrenner is er enkel de eerste plaats, alle andere plaatsen zijn nu eenmaal de eerste niet. We liepen weg van het dorpsplein en wandelden langs de drempel waarop ik net nog anderhalf uur had doorgebracht. Het feestgedruis was achter onze rug verdwenen en de auto’s op straat waren weer in de meerderheid. Het geluk en de miserie van de koers leken alweer ver weg. In het gras naast het voetpad vielen me plots vier platte stroken op, de afdruk van de klapstoeltjes. De tragedie had dan toch subtiel zijn sporen nagelaten, maar niet bij ons. Er zou wel vlug weer een dorp komen, met een oud mannetje op een ladder en een hamburgerkraam. We wandelden verder en keken niet meer achterom.

Het stoute kind

ballet_joke
Ze hebben geen grotere ambities dan het ongemerkt openen van de koekjeskast, geen zwaardere zorgen dan de whereabouts van hun poëzie-album. Kinderen. Ze hebben een fantastisch leven. Ja toch?

Het was zaterdag 6 december. Ik was vijf, misschien zes jaar, en ik volgde ballet. Of je het nabootsen van dieren uit de dierentuin echt ballet kunt noemen, valt te betwisten, maar het idee was er wel. We droegen glimmende pakjes en huppelden dartel in het rond op een veel te glad geboende dansvloer. Het zag er allemaal vast heel schattig uit, maar ik vond er helemaal niets aan. Ik verveelde me, maar wilde niet teleurstellen, en dus zocht ik naar subtiele manieren om toch niet mee te moeten dansen. Toen ik zag dat de strikjes van mijn ballerinaschoenen los waren gekomen, kwam ik op het lumineuze idee om me voor de rest van de les volledig op dat minutieuze strikwerk te storten. Want met losse veters kan je toch niet dansen zeker? Ik zal wellicht gedacht hebben dat het een pienter plan was, maar als vijf-, ja zelfs als zesjarige, denk je wel eens verkeerd. De balletjuf had me door, en ik moest als straf in het midden van de zaal gaan zitten. Het gevoel van schaamte woog echter niet op tegen de vreugde van de vrijstelling. Ik was opgelucht. Tot opeens alle kinderhoofden zich naar het raam wendden. Daar stond Sinterklaas en hij zwaaide naar ons! Volgens de juf kwam hij de omgeving verkennen voor het Sinterklaasfestijn later op de dag. Alle kinderen zwaaiden enthousiast terug. Alle kinderen, behalve ik. Er groeide een diep besef in mij: ik had Sinterklaas teleurgesteld. Ik zag mezelf al staan op het Sinterklaasfestijn, in de lange rij voor de cadeautjes. Het zou eindelijk aan mij zijn, en de Sint zou vertellen dat hij me wel gezien had, daar middenin de zaal. Foei! En dan zou ik met lege handen weer voorbij alle kindjes moeten wandelen. Ik, het stoute kind.

We durven wel eens te vergeten welke kleine drama’s zich in een kinderhoofd voltrekken. Toegegeven, ik zou liegen mocht ik beweren dat ik daarna geen gelukkige jeugd meer had. Maar sinds die ene 6 december, jaren geleden, heb ik toch nooit meer een dansvloer betreden.

Ik versus ‘t stad

“Goa zèè precies nie van iejr èèh?!” Ik riep hem “Nee, maar jij precies wel hé!” toe. Veel te laat en in alle stilte. De betere replieken verlaten maar zelden het hoofd van hun bedenker. Frustrerend, mijn accent had me maar weer eens verraden. Het is niet gemakkelijk in Antwerpen als je van de buitenwereld bent. Ook niet als je echt je best doet. Het heeft maar liefst twee weken geduurd voor ik erin slaagde om het broodje te bestellen dat ik effectief hebben wilde. Ik heb het zelfs moeten memoriseren: kaas en groenten is ‘ne smos kaas’, een bruin broodje is ‘een grof broeike’ en wil je er twee, dan worden het ‘twee groffe broeikes’. Op de Nederlandse grammatica moet je duidelijk niet terugvallen. En toch kan ik niet klagen. Ik ben niet die West-Vlaamse bij wie ze er te pas en te onpas “mohou zeh” uitflappen of jolig naar de telefoon grijpen om een tolk aan te vragen. Voor de meesten ben ik zelfs een Oost-Vlaamse, want ik woon toch in Gent, dat dorpje iets dichter bij de beschaving. Al bij al doe ik het dus zo slecht nog niet. Aageluk faateluk.

Help, ik ben een pendelaar!

Ik ben er een echte geworden. Zo eentje met strikte gewoontes en vaste ergernissen. Eerst is er dat sprintje in het donker, een gebeuren dat zich jammer genoeg dagelijks herhaalt, hoe vroeg de wekker ook afloopt. En altijd is er die ene man aan de overkant van de straat, die met zijn stevige maar beheerste wandelpas keer op keer als eerste de stationshal bereikt. Maar ik gun het hem. Mijn vroege nederlaag betekent voor hem misschien wel de start van een succesvolle werkdag, en wie ben ik om dat patroon te doorbreken? Bovendien biedt het strategisch schuifelspel op het perron me alsnog de kans om ook een overwinning te boeken. Het is een ware kunst om precies daar te gaan staan waar niet veel later de deuren zullen opengaan. Vooral wanneer het regent, is het menens, want iedereen weet: enkel wie de regen trotseert, zal zegevieren.

Voor sommigen onder ons vormt de treinrit een welkom rustpunt, maar niet voor mij. Ik begin naarstig De Metro te lezen, tegen Sint-Niklaas moet mijn actuakennis up-to-date zijn. Dan haal ik het pakje zilverpapier boven en geniet ik van twee haastig gesmeerde boterhammetjes (daar al bokes) met confituur. Ik lees met spanning een verhaal over een verloren sjaal, een collega die niet langer in dezelfde richting spoort en een speelse blik die onbeantwoord bleef. Maar niets over mij, geen “Aan de bruinharige Godin der Routine die elke dag van Gent naar Antwerpen pendelt, je doet dat goed! motivatoreersteklas@hotmail.com.” Bij het binnenrijden van Antwerpen-Centraal komt de grote finaleronde: welke kant is de goeie kant? Maak je een keuze, dan moet je er ook volledig voor gaan. Veranderen van kant is niet meer mogelijk. Maak je de verkeerde keuze, dan kan je niet anders dan je nederig om te draaien, de winnaars te erkennen en voor te laten.

Eens de trein uit, is de onderlinge strijd voorbij. Dan is het ieder voor zich. Elke minuut later op het werk is een minuut minder om ’s avonds de trein te halen. Toeristen zijn hier jammer genoeg niet van op de hoogte en vormen heuse hindernissen op het parcours naar buiten. Ik ben dan ook zo iemand geworden die zich mateloos ergert aan mensen die de linkerkant van de roltrap bezetten – en dat valt me best tegen van mezelf.

Op de terugweg worden deze gezamenlijke gewoontes, ergernissen en onderlinge wedstrijdjes gelukkig niet herhaald. De fut is eruit. Met uitzondering van het stukje tussen Gent-Dampoort en Gent-Sint-Pieters. Daar wordt de laatste strijd gestreden. Dan moet ik erin slagen om de sudoku achterin de Metro volledig in te vullen. Volledig, maar niet per se juist. Indien het me eens niet wil lukken, dan durf ik wel eens in het wilde weg cijfertjes in te vullen. Want een pendelaar die zijn sudoku verprutst, lijdt gezichtsverlies.

Tomasetti

Ze was alleen en ongewapend. De kinderen wachtten thuis, maar ze kon niet weg. Was het niet stilaan tijd geworden om plaats te maken voor Britt of Tony? Nu stond ze hier, met ingehouden adem tegen een muurtje geklemd. Haar gezicht kwam dichterbij. Ik zocht de bange ogen van een vrouw in nood, maar kreeg ze niet te zien. Ze gluurde achter de muur en de camera volgde haar blik. Het gevaar kwam dichterbij. Was ze ontdekt? Plots draaide ze zich om. Die ogen!  Ze keken niet naar de camera, maar dwars door de lens, recht naar mij. Ze leken helemaal niet angstig, eerder vastberaden. Ze stelden me gerust. Word maar ouder, tam zal je niet worden. Je overleeft het wel, net als ik. Maar Tomasetti is verdwenen. Die sterke vrouw van toen, die vrouw die ik nog niet wilde zijn maar ooit wel wilde worden, is nu niet meer dan een amusant randpersonage. Haar grote, kordate ogen zijn vernauwd tot een wazig fronzen. Ze staren niet meer naar het gevaar achter de muur, maar naar de buurman in zijn voortuintje. Ik hoef geen nieuwe blik van verstandhouding. Een geruststelling zit er toch niet meer in. Ik weet nu wat iedereen al wist. Acteurs zijn leugenaars.

Ken je Laura?

Alles was strategisch klaargezet op de salontafel. Links de cola, in het midden een mandje chips en helemaal rechts de afstandsbediening. Ik zat rechts want vanavond was ik baas. Als ik besliste dat het tijd was, dan was het ook tijd. Ze zaten braafjes naast elkaar in de zetel. Hun eendelige pyjamapakjes straalden een haast ontroerende onschuld uit. Ze zwaaiden nog even naar mama en papa en ik gaf een geruststellende knik. Ik had alles onder controle. We luisterden hoe de auto almaar verder weg klonk en we uiteindelijk niets meer konden horen. De oudste sprak het eerst. “Ken je Laura?” Ik kende wel een Laura, maar betwijfelde of ik gemeenschappelijke vrienden had met een zesjarige. Ik besloot om de situatie niet ingewikkelder te maken dan nodig was. “Ik ken een Laura, zelfs meer dan één, maar je vraag is veel te ruim om exact beantwoord te kunnen worden, tenzij je bedoelt of ik gewoon iemand, eender wie, ken die toevallig Laura heet.” Hij keek me hulpeloos aan, maar vond bijval bij zijn broer, die niet zo gemakkelijk van zijn stuk te brengen was. Hij riep enthousiast: “Laura kan jodelen!” Toen besefte ik: dit was geen gewone avond met wat tekenfilms, Dieren in nesten en heel misschien, als ze braaf waren, FC De Kampioenen. Nee, dit was zo’n avond waarop ouders hun eigen huis ontvluchtten op zoek naar veiliger oorden. Van Sinterklaas hadden deze ouders niets te vrezen, die kwam overdag met zijn boot toe, en de finale van De Slimste Mens was nog net iets te moeilijk, maar het Junior Eurovisiesongfestival, dat kon alleen maar een topavond worden. Ik voelde de kamer kleiner worden, ik was erin geluisd. “Na Laura naar bed hoor!” Het was al geen bevel meer, maar een compromis. “En de punten dan?” De punten vond ikzelf altijd het leukste gedeelte van dit soort wedstrijden. Eerst pronostieken maken en dan heel lang wachten om ten slotte te besluiten dat de boel belazerd was. “Tegen de punten zijn jullie mama en papa zeker al thuis.” Dat was niet waar, maar je kunt niet opvoeden zonder een beetje te liegen. Natuurlijk was Laura pas als elfde aan de beurt, dat had ik wel verdiend. Ik zag hun oogjes strijden tegen de slaap, maar de broertjes hielden zich sterk. Maandag zou de oudste kunnen opscheppen tegen zijn vriendjes dat hij Laura nog had gezien. Er volgde dan ook geen protest toen ik ze naar bed stuurde. Geen zoektocht naar Beer, uitgebreide tentoonstelling van de stripcollectie of “Mijn mama leest altijd nog een verhaaltje voor!” Ik had het mooi aangepakt. Ik plofte tevreden neer in de zetel en greep naar de chips. Twee minuscule afgebroken stukjes lagen me attent op te wachten, maar ik liet ze liggen. Het lege mandje zou van mij nog de schrokop maken. Laura werd vierde. Blijkbaar was tapdansen nog cooler dan jodelen. Ze kwamen thuis op het moment dat het Te Deum van Charpentier werd ingezet. Vreemd, ik had ze niet horen toekomen. Ze hadden vast stilletjes in hun auto op de oprit zitten wachten tot het helemaal veilig was. “Zijn ze braaf geweest?” Ik wou dat ik erbij kon zijn morgen, wanneer de oudste aan de ontbijttafel zou smeken om tv te kijken. Ik had speciaal voor hen de hele show opgenomen, ze waren toch zo braaf.